|
Het eerste patent dat de technische aspecten van
de automatisering van het lezen van boodschappen bij de kassa beschrijft
dateert uit 1949. Joe Woodland en Berny Silver vonden hun zg. 'bulls eye
code' uit. Dit was een circulaire barcode. De technology was toendertijd
echter nog niet zover om zo een code te lezen. In de opvolgende jaren
werden vele andere barcode typen voorgesteld en gepatenteerd, maar pas
in 1968 werd een serieus begin gemaakt met de standarisering van barcode
symbologieën. In 1973 werd UPC - Universal Product Code- geselecteerd
als de 'industrie standaard' (tussen aanhalingstekens omdat ook andere
barcode symbologieën snel als 'standaard' werden gesteld) De UPC
code had veel weg van de door IBM (wie anders) voorgestelde barcode symbologie.
Europa kon natuurlijk niet achterblijven, UPC code werd in Amerika en
Canada standaard gesteld, en kwam met hun eigen code, de EAN (European
Article Numbering).
Omdat de UPC/EAN code slechts getallen en een enkel ander karakter kan
coderen, werden al snel andere symbologieën ontwikkeld die wel de
gehele ASCII karakterset konden coderen: Code 39 en Code 128. In die tijd
was ook de technologie (zowel de techniek als de prijs) voor het lezen
van barcodes niet langer meer de beperkende factor en een enorme wildgroei
van verschillende barcode symbologieën volgde. Om een aantal te noemen:
MSI Plessey, Industrial 2 of 5, Code 39, Code 93, Code 49, Codabar en
vele, vele meer.
Op zoek naar een hoger informatie dichtheid (per oppervlak code) deed
al snel de twee-dimensionale code zijn intrede. De bekendste is de PDF417
code van Symbol. In 2D codes kan meer informatie gecodeerd worden, maar
de scanners die deze codes kunnen lezen zijn complexer van aard hetgeen
direct in de prijs te vinden is.
Voor een goed naslagwerk over barcodes, hun geschiedenis,
en hoe deze te gebruiken , kunt u lezen: Roger C. Palmers' 'The Barcode
Book' ISBN 0-911261-05-2
|